De stralen van de zon zijn als de manen van de leeuw: ze waaieren uit en geven hem kracht. Rechtop loopt hij, zelfverzekerd, een duidelijk doel voor ogen.
Als de bal zijn hand verlaat, brult hij hem met een oerschreeuw verder. Hij rent zichzelf in derde positie. En als de weerbarstige discus twee keer in de netten belandt, blijft zijn hoofd fier rechtop - onbewogen: de kracht van de leeuw neemt niet af.
Extra trots is hij op zijn prestatie in de discipline waar hij geen zin in had. Het tekent zijn nieuwe identiteit: die van een volhouder en een bijter, die van een echte leeuw.
Op de terugweg klinkt hetzelfde liedje op de radio. Het is hem op het lijf geschreven. En in gedachten maakt hij het gebaar van zijn idool: dat van een brullende, klauwende leeuw, die recht op zijn doel afgaat.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten